Oeverzwaluw

Klein maar fijn

De oeverzwaluw is onze kleinste en minst gekende zwaluwsoort. Hij weegt gemiddeld slechts veertien gram en heeft een lengte van twaalf tot dertien cm. De vogel heeft een donker zandbruin gekleurde rug en een witte buik die onderbroken wordt door een bruine borstband. In tegenstelling tot de twee andere zwaluwsoorten heeft de oeverzwaluw een slechts zwak gevorkte staart. Verder vertoont hij wél alle typische zwaluwkenmerken: een grote mondholte, een kleine snavel en kleine pootjes.

De vlucht van de oeverzwaluw is minder grillig dan de vlucht van de boerenzwaluw, maar duidelijk sneller dan die van de huiszwaluw. De oeverzwaluw maakt een droog, raspend geluid.

 

Onbekende holenbewoner

De oeverzwaluw is minder bekend bij het brede publiek dan de huis-, boeren- of gierzwaluw. Ze zoekt immers veel minder nadrukkelijk het gezelschap van de mens op om te broeden.

Oeverzwaluwen danken hun naam aan de plaats waar ze nestelen. Deze zwaluwsoort broed van origine vooral in de steile afgekalfde oevers van rivieren en beken en in stuivende duinen. Door de eeuwenlange kanalisaties, het rechttrekken van meanderende waterlopen en het vastleggen van stuifduinen zijn dergelijke natuurlijke broedplaatsen hoe langer hoe zeldzamer geworden. De oeverzaluw heeft echter een kunstmatig alternatief gevonden voor deze schaarse natuurlijke broedplaatsen. De natuurlijke broedplaatsen worden de laatste decennia omzeggens volledig ingeruild voor door mensenhand geschapen 'oeverwallen' zoals zandontginningen, dijken, ontgrondingen, opgespoten terreinen of grote bouwputten.

In natuurlijke of kunstmatige zachte, zandige verticale wanden graven oeverzwaluwen broedpijpen van 40 tot 150 centimeter diep. Het mannetje werkt alleen aan de gang, en graaft die in enkele dagen uit met zijn poten en snavel. Aan het uiteinde verwijden deze nestholen zich tot een broedkamer die bekleed wordt met veren, gras en stro. Oeverzwaluwen gebruiken gangen van het vorige jaar het volgende jaar niet opnieuw, maar graven telkens een nieuwe gang. Op deze manier trachten ze nestparasieten te vermijden.

Oeverzwaluwen zijn echte kolonievogels. Ze maken er geen probleem van om vlakbij elkaar te nestelen. Per lopende meter broedwand kunnen er tot 15 broedgaten zijn. Er vestigen zich soms 500 koppels of meer in éénzelfde kolonie.

Meestal brengen oeverzwaluwen per zomer twee broedsels groot. Het eerste legsel wordt rond half mei gelegd en bestaat uit vier tot zes eieren. Het tweede broedsel bevat nog drie tot vier eieren en wordt meestal rond half juni uitgebroed. De jonge oeverzwaluwen komen na 12 tot 16 dagen uit hun ei en verblijven dan nog een drietal weken in het nest alvorens uit te vliegen. De jongen komen blind en kaal uit het ei maar groeien erg snel. Ze worden gevoederd met insecten die aanvankelijk door de beide ouders tot in de broedkamer worden gebracht. Naarmate ze ouder worden komen de jongen de ouders tegemoet in de nestpijp. Een kleine week na het uitkomen staan de jongen reeds aan de ingang van de broedpijp om voedsel te bedelen.

 

Een dieet van insecten

Zoals alle zwaluwen vangt de oeverzwaluw bijna uitsluitend insecten. Deze zoekt hij in de regel boven rivieren, poelen en ondiepe meren. Het jagen op insecten gebeurt steeds in de nabijheid van het nest.

 

Op trek samen met de boerenzwaluw

Zoals de meeste insectenetende vogels in het algemeen en de overige zwaluwsoorten in het bijzonder brengen oeverzwaluwen de winter door in Afrika. Ze vertrekken bij ons omstreeks augustus om tussen april en eind mei opnieuw in Vlaanderen aan te komen. Oeverzwaluwen vertoeven tijdens de trek vaak in het gezelschap van boerenzwaluwen. Beide soorten slapen tijdens de trek samen in riet- en maïsvelden.

 

Oeverzwaluw in Vlaanderen

Oeverzwaluwen komen voor in heel Europa, vooral in laaggelegen gebieden. Ze ontbreken in berggebieden en bossen. In Vlaanderen komen er circa 6000 tot 7500 broedkoppels voor. Ongeveer 20 procent van de Vlaamse populatie broedt in het Antwerpse havengebied. Verder komt de oeverzwaluw in Vlaanderen vooral voor aan de kust, in de Scheldepolders, langs de Maas en in mindere maten in de Kempen.