Landschapstypes in onze regio

Ontdek de zes verschillende landschapstypes die voorkomen in het werkingsgebied van Regionaal Landschap Schelde-Durme.

Zes verschillende landschapstypes in onze regio

In ons werkingsgebied komen zes verschillende landschapstypes voor. Die staan bekend als de traditionele landschappen of ook wel ‘landschapsbeelden’: de Scheldepolders, het Waasland’, de Schelde- en Durmevallei, de Zandstreek binnen de Vlaamse vallei, de Dendervallei’ en de Zandleem- en leemstreek. Een aantal van deze landschapstypes overstijgen de grenzen van ons werkingsgebied.

De indeling van de traditionele landschappen van Vlaanderen dateert van 1985 en was een eerste poging om de regionale verscheidenheid van de historisch gegroeide cultuurlandschappen op kaart voor te stellen in hun situatie van voor de grote veranderingen. De indeling steunt op zowel fysische en natuurlijke kenmerken zoals reliëf en bodemgesteldheid, als op cultuurlandschappelijke kenmerken zoals bewoningsvormen, landgebruik en percelering. Hieruit blijkt dat Vlaanderen over een bijzonder grote landschappelijke diversiteit beschikt die echter in een steeds sneller tempo teloor gaat.

De Scheldepolders

De Scheldepolders zijn gelegen in het meest noordelijke deel van het Regionaal Landschap Schelde Durme, in het noorden van Sint-Gillis-Waas. Het is voornamelijk een vlak landbouwgebied met kleine, langwerpige dorpen en een sterk verspreide bebouwing.

Kenmerkend voor dit landschap zijn de polders. Dit zijn laaggelegen gronden die in de middeleeuwen (11e eeuw) zijn gewonnen op de rivier (‘drooggelegd’) om permanent aan landbouw te kunnen doen. Het droogleggen gebeurde door de Schelde in te dijken. Restanten van deze dijken zijn nog in het landschap terug te vinden.

Doorheen de geschiedenis zijn die dijken verschillende keren doorgebroken. De kreken en wielen herinneren hieraan. De watergeulen, ontstaan door dijkdoorbraken, worden kreken genoemd. Wielen zijn diepe plassen die ontstonden tijdens dijkdoorbraken door het kolkende water dat een diepe put uitgroef. Het resultaat is een landschap met vele waterpartijen.

De percelen in dit gebied zijn vaak groot en regelmatig van vorm met weinig tot geen begroeiing langs de perceelranden. Deze polders zijn ontworpen op de tekentafel. Ze zijn het resultaat van een geplande, rationele ingreep in het landschap. Dat is onder andere goed herkenbaar in de geometrische structuur van de polderwegen.

Scheldepolders
© Yves Adams

Het Waasland

Het Waasland is gelegen ten noorden van de rivier de Durme. Het reliëf is voornamelijk vlak en op de perceelsgrenzen staan vaak populieren die als grondstof dienden voor de productie van klompen. Het Waasland kenmerkt zich van oudsher door kleine, vierkante percelen die samen een regelmatig patroon vormen.

In deze streek komt de typische cuesta van het Waasland voor, ook wel de ‘Wase cuesta’ genoemd. Deze asymmetrische vallei heeft een steile en een zacht glooiende zijde. Dit is het resultaat van slingerende waterlopen doorheen verschillende bodemtypes. De ene oever (klei) werd door het water minder sterk uitgesleten dan de andere oever (zand). Op de cuesta zijn nog enkele stukken struikheide en brem terug te vinden. Die plantensoorten herinneren aan de voormalige Waasmunsterheide die vanaf het midden van de 19e eeuw stelselmatig vervangen werd door naaldhoutaanplantingen.

Doorheen het Waasland loopt een natuurlijke waterloop: de Barbierbeek. Deze beek is een van de weinige in Vlaanderen die niet rechtgetrokken werd en daardoor nog steeds meanders (= bochten) heeft. Onderweg naar de Schelde komt deze beek de polders van Kruibeke tegen. Deze laaggelegen gronden zijn in de middeleeuwen drooggelegd om permanent aan landbouw te kunnen doen.

Tegenwoordig is Het Waasland het grootste overstromingsgebied van Vlaanderen uitgevoerd in het kader van het Sigmaplan. Dit is een project dat de omgeving van de Schelde en diens zijrivieren beter wil beschermen tegen overstromingen en tegelijk de waardevolle Scheldenatuur, de lokale recreatie en de economie wil versterken. Het landschap is door het voorkomen van slikken en schorren, elzenbroekbossen en een weidevogelgebied heel gevarieerd. Langs de Barbierbeek komen enkele hoevecomplexen en een watermolensite voor. De plaats van de hoeven toont de begrenzing van de historische overstromingszone.

© Yves Adams

Er komen bloemenrijke oude dijken, kleine en grote waterpartijen, rietvelden en zelfs enkele forten voor die deel uitmaken van de buitenste fortengordel rond Antwerpen.

© Yves Adams

Ook typisch voor Het Waasland zijn bolle akkers, percelen die gekenmerkt worden door een bolvormig profiel. Ze werden aangelegd vanaf de 15e eeuw, bedoeld om de afwatering en de vruchtbaarheid van de grond te verbeteren. De percelen zijn van oudsher omzoomd door Canadese populieren met hier en daar ook knotwilgen, dat diende als grondstof voor de productie van klompen. Helaas verdwijnt deze typische bolvorm geleidelijk aan uit het hedendaagse landschap als gevolg van de moderne landbouwtechnieken.

Typisch voor het Waasland waren ook de hoogstamboomgaarden, opgevat als een economisch interessante combinatie van beweiding door vee en fruitteelt. De omschakeling naar grootschalige teelten met laagstamfruitbomen en het omvormen van boerderijen tot woonhuizen zorgde voor een achteruitgang van het aantal hoogstamboomgaarden.

Zandstreek binnen de Vlaamse Vallei

De Zandstreek binnen de Vlaamse Vallei is een gebied dat door de Scheldevallei in twee gedeeld wordt. Dit landschap ligt in het centrum van het Regionaal Landschap Schelde-Durme. Het strekt zich uit van Destelbergen en Lokeren in het westen tot Puurs-Sint-Amands in het oosten. De zandbodem hebben we te danken aan de wind die tijdens de laatste ijstijd (tot 10.000 jaar geleden) het zand hier afzette: dekzand. Het landschap kent een vrij vlak reliëf, is sterk versnipperd en dicht verstedelijkt. We vinden hier enkele beekvalleien terug die een agrarisch landschap met loofbossen, graslanden en lineaire kleine landschapselementen herbergen.

Dit landschapsbeeld bestond vooral uit weiland omzoomd door knotwilgen. Ondertussen zijn deze knotwilgen op veel plaatsen verdwenen. De percelen hebben een voornamelijk rechthoekige vorm met hier en daar kleine bossen.

Naast loofbossen zoals het Buggenhoutbos en de Gratiebossen komen er enkele bijzondere beekbegeleidende- en alluviale bossen voor. Dit zijn bossen die groeien langsheen de beek en de rivier en die ook onder de invloed staan van het water van de waterlopen. Er wordt hier en daar aan groententeelt gedaan in kassen.

De aanwezige open ruimte is sterk versnipperd en onregelmatig van vorm en grootte. Ze wordt begrensd door de bebouwing en de industrie. 

© Yves Adams

Daardoor zijn de landschapselementen geïsoleerd. Kenmerkend voor de zandstreek zijn ook de driesdorpen: dorpen zoals Opdorp (deelgemeente van Buggenhout) die zijn ontstaan rond een dries: een grazige open plek met bomen die vroeger werd gebruikt als verzamelpunt voor de schapen, runderen of varkens. Dergelijke pleinen dienden ook als ontmoetingsplaats voor de lokale bevolking.

De Schelde- en Durmevallei

Dit gaat over het meest karakteristieke landschap van het Regionaal Landschap Schelde-Durme. De Schelde is een menggebied van zout zeewater en zoet rivierwater. Door die overgang van zout (aan de monding) naar zoet (stroomopwaarts van Rupelmonde) en door het ritme van eb en vloed, ontstond hier een gevarieerde getijdennatuur. De Schelde- en Durmevallei ligt grotendeels in het zoetwatergetijdengebied. De bijhorende natuur is erg zeldzaam in Europa. 

Een deel van de Schelde (van de monding tot Gent) en een deel van de Durme (van de monding in de Schelde tot Lokeren) hebben nog een open verbinding met de Noordzee. Daardoor kennen ze nog getijden, d.w.z. twee maal per dag hoog water (vloed) en twee maal per dag laag water (eb). Het deel van de oeverstrook die bij elke vloed overstroomt wordt slik genoemd. Hier groeien geen planten. Pal tegen de dijken ligt het schor. Die overstroomt enkel bij zeer hoog water (springtij). Hier groeien riet en wilgen en de bijzondere spindotterbloem.

In onze streek heeft het zout water invloed tot in Rupelmonde. Het resultaat is dat een deel van de rivier brak water bevat, d.w.z. met een hoger zoutgehalte dan zoet water. In deze brakke omstandigheden komen andere planten voor die zich aan deze specifieke omstandigheden hebben aangepast.

 

© Yves Adams

Schelde en Durme worden vergezeld door rivierduinen, broekbossen en enkele afgesneden meanders. Een rivierduin (hier donk genoemd) is een duin van opgewaaid rivierzand. De broekbossen komen voor op natte standplaatsen. 

Karakteristiek zijn ook de dijken: groene linten in het rivierenlandschap.  De eerste dijken dateren uit de middeleeuwen. Op sommige plaatsen zijn parallel twee dijken aangelegd: de zomerdijk tegen de rivier en de winterdijk wat verderop. De zomerdijk is lager dan de winterdijk en zorgt ervoor dat de landbouwgrond tussen de twee dijken in het zomerhalfjaar niet kan overstromen. De winterdijk beschermt de omwonenden tegen overstromingen. Op plaatsen waar deze dijken doorbraken hebben zich wielen gevormd. Dit zijn diepe plassen die tijdens de doorbraak ontstonden doordat het kolkende water een diepe put uitgroef. Enkele dijken zijn nog traditioneel beplant met rijen van walnoot (ook okkernoot genoemd) zoals het gebied van de Oude Durmearm op de grens van Hamme en Waasmunster.

Het Sigmaplan is een plan dat de omgeving van de Schelde en diens zijrivieren beter wil beschermen tegen overstromingen en tegelijk de waardevolle Scheldenatuur wil verbeteren, alsook de economie en de lokale recreatie wil versterken. Langs de Schelde en haar zijrivieren worden de dijken verhoogd én komt er een ketting van overstromingsgebieden.

Eeuwenlang vond je in de streek van Schelde en Durme vooral graslanden terug op laaggelegen gronden langs de rivieren. Deze meersen (Oost-Vlaanderen) of beemden (Antwerpen) waren het resultaat van inpolderingen: vanaf de late middeleeuwen werden ze drooggelegd met dijken. Deze meersen werden later deels vervangen door akkers en populieraanplantingen. Door de vele aanplantingen van populieren heeft het landschap hier een gesloten karakter gekregen. Maar in een aantal gebieden zijn de graslanden nog dominant. Voorbeelden hiervan zijn de natuurgebieden Kalkense Meersen en Daknamse Meersen.

Door de ontginning van voornamelijk zand en turf ontstonden putten die zich later met water vulden. Een voorbeeld van een dergelijke is de Nieuwdonk in Berlare.

© Yves Adams

De Dendervallei

De Dender is een verhaal apart. Deze rivier staat immers bekend als een typische regenrivier. Ze wordt hoofdzakelijk gevoed door regenwater en kent daardoor grote debietschommelingen, d.w.z.: de schommeling in de afvoer van het water: bij droog weer weinig water, bij regen veel. Meestal is ze rustig, maar na een zware regenval kan het water razendsnel stijgen en heel hard stromen. Dankzij de 13 sluizen en stuwen kan het waterpeil voldoende hoog worden gehouden zodat scheepvaart mogelijk blijft.

De vallei van de Dender wordt vooral gekenmerkt door graslanden omringd door knotwilgen. Je vindt er ook rietvelden en lage zandheuvels terug waarvan de hogere ook donken genoemd worden.

De rivier heeft al lang geen getijdenwerking meer. Voor zover wij weten werd dit in de 13de eeuw voor de allereerste keer met de aanleg van een sluis geregeld. Ondertussen houdt sinds 1978 een sluis in een nieuw gegraven arm (de Nieuwe Dender) het getij tegen bij de monding in de Schelde.

© Yves Adams
© Yves Adams

De Dender is vroeger op vele plaatsen rechtgetrokken. Langsheen de rivier liggen haar afgesneden meanders (bochten) en oude rivierlopen. Het omliggende landschap is door het afwisselend voorkomen van stokoude rivierduinen, bomenrijen, loofbossen (waaronder elzenbroekbossen) en natte ruigtes sterk gevarieerd.

Op sommige plaatsen is het typische rivierlandschap nog duidelijk aanwezig. Karakteristiek zijn de laaggelegen gebieden met hooilanden. Deze vochtige hooilanden worden in Oost-Vlaanderen meersen genoemd, in Antwerpen zijn het beemden. De open graslanden worden afgewisseld door populieren- en elzenbosjes. Die aanplantingen van populieren verwijzen naar de luciferindustrie waarvoor het populierenhout diende als grondstof. De bomen zijn aangeplant in onnatuurlijke rijen maar kennen een grote biodiversiteit, zeker als een ondergroei van struiken aanwezig is.

Zandleem- en leemstreek

De Zandleem- en leemstreek situeert zich ten zuiden van de Schelde en wordt in tweeën gedeeld door de Dendervallei. Het is het meest zuidelijke deel van het Regionaal Landschap Schelde-Durme. Het reliëf is golvend met zachte hellingen. De zandleem- en leemgrond hebben we te danken aan de wind die tijdens de laatste ijstijd (tot 10.000 jaar geleden) zand en leem afzette.

Doorheen het landschap vinden we verscheidene beekvalleien met meanderende beken, vaak smalle, rechthoekige percelen en hier en daar ook bosjes. De loop van deze beken is vaak duidelijk herkenbaar door de bomenrijen langs de oever. Tussen de vele boomkwekerijen zijn talrijke loofbossen te vinden zoals de Serskampse bossen op de grens van Wetteren, Wichelen en Lede en het Kravaalbos in Aalst. Sommige bossen staan al ingetekend op de kaart van Ferraris (1771-1778). Ze kennen een typische fauna en flora: zo komt de vuursalamander voor in de oude bossen op de grens van Lede en Wichelen en in het Kravaalbos.

© Robin Van Heghe

Karakteristiek zijn ook de oudbosplanten: plantensoorten die voornamelijk voorkomen in oude bossen. Dit zijn bossen die voor zover gekend steeds bos zijn geweest en geen ander landgebruik hebben gekend. In de praktijk beschouwen we in Vlaanderen een bos als een oud bos wanneer het op de kaarten van de Ferraris en alle volgende topografische kaarten als bos staat aangeduid. Algemeen is de biodiversiteit van oude bossen veel groter en zeldzamer dan van recente bossen. In oud bos vinden we meer oudbosplanten zoals bosanemoon, salomonszegel, slanke sleutelbloem, kleine maagdenpalm en daslook.

In dit gebied komen ook kouters voor: grote open akkers die op iets hoger gelegen gebieden gelegen zijn. Je vindt er ook meer kleinschalige landschappen. Hier wisselen gemengde loofbosjes, populierenbosjes en graslanden elkaar af. Je ziet er ook bosjes in hakhoutbeheer en houtwallen. Houtwallen zijn opgehoogde stroken die begroeid zijn met aaneengesloten bomen en struiken.

Op enkele plekken is het landschap zeer afwisselend met waardevolle bosfragmenten, soortenrijke graslanden en houtkanten. De kamsalamander is een typische soort voor zulke landschappen indien ook voldoende heldere, rijk begroeide poelen voorkomen. Deze soort komt voor in de Vallei van de Serskampse beek, Honegem - Solegem - Sint-Apollonia op de grens van Aalst, Lede en Erpe-Mere en in de omgeving van de Vogelenzang op de grens van Lede, Dendermonde en Aalst.

© Jeroen Mentens

Populierenbossen

In de streek komen heel wat populierenbossen voor, vanaf de 19e eeuw aangeplant voor de fabricage van lucifers. België was na Zweden het grootste luciferexporterende land van Europa, in Vlaanderen was Geraardsbergen het grootste productiecentrum. Vandaag worden bij ons geen lucifers meer gemaakt.

De teelt van populieren had bij natuurbeheerders lange tijd een slechte reputatie. Zo hanteerde men een kaalkap bij de oogst, nieuw plantgoed bestond uit door de mens gecreëerde klonen en de bomen werden altijd in onnatuurlijke rijen aangeplant. Vaak werden ook ecologisch waardevolle hooilanden en hakhoutbossen omgevormd tot populierenbossen. De ondergroei bestond dan weer uit onaantrekkelijke ruigtekruiden zoals brandnetels. Populieren zijn daarbij makkelijk vatbaar voor ziektes, met heel wat treurende en dode bomen als gevolg.

Ondertussen toont onderzoek aan dat de ecologische waarde van aanplantingen van populieren net opmerkelijk hoog is. Heel wat planten, insecten (zoals nachtvlinders en kevers), vogels (zoals wielewaal en kleine bonte specht), amfibieën en vleermuizen zoeken populieren op. Vaak is de biodiversiteit zelfs even groot als in een inheems bos. Bovendien werd vastgesteld dat alle zeldzame bosplanten in Vlaanderen ook in populierenbossen voorkomen.

© Jeroen Mentens

Misschien vind je dit ook interessant:

Onze projecten
© Wesley Poelman
Samenwerken met ons
© Tim Delmoitie
Contacteer ons
© Miles Burke